Overgang po-vo

De meeste leerlingen verlaten het primair onderwijs (po) als ze 12 jaar zijn. In groep 8 maken zij samen met hun ouders en de school een keuze voor het type vervolgonderwijs. Die overstap loopt echter niet voor alle kinderen vlekkeloos.

Wat maakt het zo lastig?
Hoe komt dat?

  • Om te beginnen door het moment van kiezen. Leerlingen zijn pas elf of twaalf jaar als wordt bepaald of zij naar vmbo, havo of vwo gaan. Voor een deel van de leerlingen is dat te vroeg. ‘De ontwikkeling van de tiener wordt gekenmerkt door perioden van groeispurts en perioden waarin groei wat langzamer gaat. Er zijn forse individuele verschillen in de ontwikkeling van tieners: er zijn trage groeiers en snelle groeiers. Opmerkelijk is dat de snelheid van de groei nog niet zoveel zegt over het eindresultaat van de ontwikkeling.’ (Jolles, 2016)
  • Een ander probleem is dat de overstapmogelijkheden steeds beperkter zijn geworden. Met andere woorden: als je op een bepaald niveau geplaatst bent, is het vaak moeilijk om in te stromen in een ander onderwijstype.
  • Een derde punt is dat het onderwijsaanbod in het voortgezet onderwijs niet altijd goed past bij elke leerling. Vooral leerlingen die liever leren door te ‘doen’ in plaats door over de stof na te ‘denken’, verliezen motivatie en scoren lager dan je verwacht, als je kijkt naar hun capaciteiten.
  • Verder speelt mee dat het pedagogische klimaat in het voortgezet onderwijs heel anders is dan op de basisschool. Niet alle leerlingen kunnen daar gemakkelijk hun weg in vinden.
  • En dan nog iets geheel anders. Op de basisschool worden leerlingen elk jaar zelfstandiger. Aan het einde van groep 8 is de basis gelegd om de regie over hun eigen leerproces te nemen. Aan het begin van het vo draaien we de rollen om, en neemt de leerkracht weer de regie.

Wetenschappelijk onderzoek (Vernooij, 2009; Van Houtte, 2010) toont aan dat er vooral de groep 10-14 jarigen veel baat kan hebben bij onderwijs dat specifiek is afgestemd op hun leeftijd en ontwikkelingsfase. Als we ze samen laten leren in heterogene groepen, verbeteren de resultaten en de motivatie.

Volgens breinonderzoek leren leerlingen het beste in relatie met anderen die voor hen betekenisvol zijn (Nelis & Van Sark, 2016). Jongeren willen als individu gezien en begeleid worden. Ze willen aandacht voor hun unieke talenten en mogelijkheden, ze willen betrokken onderwijs, gegeven door docenten die oprechte interesse hebben in alle leerlingen.

Bij veel scholen zijn de hiervoor genoemde punten onderwerp van zorg en gesprek. Ook binnen de PO- en VO-Raad, die in verschillende publicaties pleiten voor soepele, geleidelijke overgangen. Ze geven aan dat heterogene groepen leerlingen goede kansen bieden om zich verder en breder te ontwikkelen.

In ons idee voor het Tienercollege Noordoostpolder hebben we de ‘pijnpunten’ ter harte genomen en de aanbevelingen vanuit verschillende hoeken bekeken en verwerkt.